Steen, staal en glans – muziek in Rotterdam 1940-2015

Muzikanten in het na-oorlogse Rotterdam: ze zijn meestal self-made en hebben zich van onderop naar boven geworsteld. Dat moest ook wel in een stad waarin het culturele centrum in 1940 vrijwel geheel was weggebombardeerd. Het muzikale leven kwam na de bevrijding aanvankelijk schoorvoetend weer op gang, op zelfgeorganiseerde feestjes bij jongeren thuis en op kleine podia. Pas vanaf de jaren vijftig werden ook door het stadsbestuur stevige impulsen gegeven met voorzieningen en infrastructuur. Maar het bleef met de muziekcultuur vaak een kwestie van vallen en opstaan. Zo ontwikkelde zich een mentaliteit die muziek in Rotterdam kenmerkt: nuchter, hard en romantisch tegelijk. Zoals Frédérique Spigt zingt in het nummer ‘Rotterdam’ (2001): De rivier doorklieft de oude stad. Net als dromend, rustend goud. Steen, staal, vuur en glans.

Modernistische aanpak

In de jaren twintig en dertig had Rotterdam juist zo’n bruisend uitgaanscentrum gekend. De stad was, met dank aan de almaar groeiende haven, uitgegroeid tot poort van Europa. Er ontwikkelde zich een amusementscultuur naar Amerikaans voorbeeld. Met (jazz)kroegen op Katendrecht, een uitgaansgebied met o.a. de Cosmopoliet op de Schiedamsedijk, de chique dancing Pschorr aan de Coolsingel, ‘negerpaleis’ Mephisto aan de Oude Binnenweg, en de klassieke Groote Schouwburg aan de Aert van Nesstraat. 

DigItUp17_Posts_20171101_SteenStaalEnGlans_02-550x275

Dancing De Cosmopoliet Rotterdam

Na het Duitse bombardement op 14 mei 1940 is de historische binnenstad van Rotterdam, inclusief de muziekgelegenheden, vrijwel geheel vernietigd. Burgemeester Oud verzoekt binnen enkele dagen de heer Witteveen, directeur van de dienst Stadsontwikkeling, een wederopbouwplan te maken. Omdat het plan van Witteveen teveel op herstel is gericht en niet op vernieuwing, neemt Van Traa het wederopbouwplan over in 1946. Daarmee wordt de basis gelegd voor een radicaal modernistische aanpak, waarbij wonen en werken goeddeels worden gescheiden. Voor de binnenstad ligt de prioriteit van het stadsbestuur bij het herstel van het zakenleven. Daarnaast gaat de aandacht uit naar het aanpakken van armoede en woningnood onder de bevolking. Woonhuizen buiten het centrum worden opgeknapt, en daaromheen worden nieuwbouwwijken aangelegd. In de binnenstad moet vooral gewerkt worden, zo is de leidende gedachte. Na gedane arbeid keert men terug naar huis, richting de randen van de stad.


Veel reden om ’s avonds voor ontspanning in de stadskern te blijven hangen, is er vooralsnog ook niet. Het Luxor Theater is een van de weinige podia in het centrum die het bombardement ongeschonden doorkomen. Vanaf 1946 functioneert het als podium voor toneel, varieté en kleinkunst. In 1947 opent een noodschouwburg aan de Aert van Nesstraat, gebouwd met afgebikte stenen uit de binnenstad. Deze voorziening moet het gemis van de verwoeste Groote Schouwburg (dat een nieuwe incarnatie krijgt aan het Zuidplein) opvangen; dat worden er uiteindelijk veertig jaar. In de noodschouwburg vinden, naast toneel en musical, ook uitvoeringen plaats van het Rotterdams Kamerorkest en het Rotterdams Philharmonisch Orkest.


Verder vindt het muzikale leven plaats in kroegen en jeugdsociëteiten, verspreid door de stad. Midden jaren vijftig begint (bebop)jazz over te waaien vanuit Amerika, en wordt gedraaid in kunstenaarscafé De Fles, kleine clubs als Ons Huis (het latere LantarenVenster), AMVJ, en op feestjes bij jongeren thuis. Bebobjazz is in de eerste plaats voor intellectuele jongeren uit gegoede kringen, de ‘artistiekelingen’, en krijgt in het arbeideristische Rotterdam vooralsnog niet echt voet aan de grond. Maar ook hun volksere tegenhangers, de ‘nozems’ oftewel vetkuiven die fan zijn van de rock ’n roll van Elvis Presley en Bill Haley, hebben nauwelijks verzamelplekken in de stad. Het muzikale leven blijft kleinschalig en zonder grote uitspattingen – trouw aan de tijdgeest van de jaren vijftig, waarin de burger zich schikt naar het hogere belang: het herstel van de economie en het zakenleven.

Gevestigde muziek vs. tegencultuur

Wel begint Rotterdam zich als evenementenstad te manifesteren. Ahoy 1950, E’55 en Floriade 1960 vormen een reeks wederopbouwevenementen waarmee de voortgang van de wederopbouw van Modernistische aanpak
In de jaren twintig en dertig had Rotterdam juist zo’n bruisend uitgaanscentrum gekend. De stad was, met dank aan de almaar groeiende haven, uitgegroeid tot poort van Europa. Er ontwikkelde zich een amusementscultuur naar Amerikaans voorbeeld. Met (jazz)kroegen op Katendrecht, een uitgaansgebied met o.a. de Cosmopoliet op de Schiedamsedijk, de chique dancing Pschorr aan de Coolsingel, ‘negerpaleis’ Mephisto aan de Oude Binnenweg, en de klassieke Groote Schouwburg aan de Aert van Nesstraat.
stad en haven wordt gevierd. Ook zijn er – vanaf 1947 tot eind jaren zestig – de jaarlijkse Opbouwdagen op 18 mei, met busritten langs nieuwe gebouwen en officiële openingen. Het moge een weinig gezellige, zakelijk georiënteerde binnenstad zijn die herrijst, met veel beton en weinig groen, maar de meeste Rotterdammers zijn er trots op.
Een mijlpaal vormt de opening van Concert- en Congresgebouw de Doelen in 1966, niet toevallig op 18 mei. In de Doelen wordt het Newport Jazz Festival gehouden (voorloper van North Sea Jazz). De Doelen wordt de thuisbasis van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, dat zich tot een orkest met internationaal aanzien ontwikkelt. Er is plek voor allerlei genres, van kamermuziek tot pop, en de belangstelling voor de concerten is zo groot dat men al snel spreekt van het ‘Doeleneffect’: aanbod schept vraag. Het concertpubliek in de stad is binnen enkele jaren bijna vier keer zo groot in omvang als voor de komst van de Doelen.

Concertgebouw De Doelen in de jaren vijftig

Zo vinden gevestigde muziekvormen iets van de vooroorlogse glorie terug, mede dankzij een actiever cultuurbeleid vanuit het stadsbestuur. Maar ook de muziek als tegencultuur manifesteert zich sterker vanaf begin jaren zestig. De Fles, aanvankelijk verzamelplaats voor betrekkelijk elitaire artistiekelingen, wordt een drank- en drugshol voor jazzfanaten, kunstenaars, schrijvers en zeelui. De Fles moet eind 1962 dicht op last van de burgemeester wegend vermeend drankmisbruik en seksuele uitspattingen in en rond het café. Maar al snel opent op het Noordereiland Café Oom Tom, gerund door Anna Vingerhoets (ook een van de gangmakers van De Fles) en daarom in de volksmond ‘Café Anna’ genoemd. Hier komt de beat- en souljeugd samen, de opvolgers van de rock ’n roll-fans van eind jaren vijftig. In een tijdelijk onderkomen van Ahoy bij Pompenburg vindt een Hippy Happy Beurs voor tieners plaats in 1967. Later zal een nieuw Ahoy op Zuid een belangrijke zaal worden voor grootschalige popconcerten.

Onderstroom

Voor de moderne jazzliefhebbers is er aanvankelijk de zaal B14, vlakbij de Laurenskerk, die ook ruimte biedt aan de opkomende freejazz vol improvisaties. En het levenslied krijgt een trefpunt met de Oase Bar van Jaap en Arie Valkhoff, die bestaat van 1957 tot 1967. Artiesten uit het hele land komen er ‘s avonds en ‘s nachts spontaan zingen. Jaap Valkhoff wordt bekend met liedjes over Rotterdam, inclusief Feyenoord-klassieker ‘Hand in hand, kameraden’. En al stopt de roemruchte bar door ruzie tussen de twee broers, Jaap Valkhoff blijft platen maken en hij wordt de aartsvader van het Rotterdamse lied. De nozems verzamelen zich inmiddels op de trappen bij de Beurs, wat leidt tot ordeverstoringen en arrestaties. Ook op Zuid, bij De Dreef en op de Beijerlandselaan, wordt de atmosfeer grimmiger en zijn er aanvaringen tussen groepen artistiekelingen en vetkuiven. Rond de multiculturele West-Kruiskade ontwikkelt zich ondertussen een kleine scene van soulbands, waarvan The Swinging Soul Machine en The Free de succesvolste zijn.
Zo ontstaat midden jaren zestig grofweg een tweedeling in de muziek in Rotterdam die er sindsdien – in meerdere of mindere mate – altijd is gebleven. Enerzijds concentreert de gevestigde muziek zich op enkele grote podia en vindt daar een vaste stek. Tegelijkertijd is er een levendige, en meer volkse onderstroom op kleine podia en in cafés. Vaak – zo zal ook later nog blijken – zijn het kortstondige ontmoetingsplekken met een hang naar zelfdestructie. Maar ze zorgen onmiskenbaar voor vernieuwing en vitaliteit in de muziekcultuur.

Holland Pop Festival

De Flower Power-beweging van eind jaren zestig is te zweverig om echt aan te slaan in het nuchtere Rotterdam. Een eenmalig evenement is het driedaagse Holland Pop Festival in juni 1970 in het Kralingse Bos, onderdeel van C70 (Communicatie ’70), een cultureel festijn ter gelegenheid van vijfentwintig jaar bevrijding. Naast buitenlandse topbands spelen er Nederlandse acts als Focus, Ekseption en Supersister. 

Organisatoren student Berry Visser en jeugdwerker Georges Knap laten zich inspireren door het Amerikaanse Woodstock festival, maar zijn wel zo praktisch om landelijke subsidie te regelen, en sponsoring door de lokale bottelaar van Coca-Cola, Bottelo nv te Schiedam – zonder dat dat overigens de kosten zal dekken. Het is een chaotisch maar vreedzaam evenement met
een kleine honderdduizend bezoekers. Er wordt volop geblowd en harddrugs gebruikt. De aanwezige politie staat het oogluikend toe. Holland Pop Festival kan als een typisch Rotterdamse variant van love and peace beschouwd worden.

In de loop van de jaren zeventig begint jazzfanaat Willem van Empel (bijnaam ‘Willem Wodka’) podia op te zetten, om te beginnen Jazzhouse aan de Eendrachtsstraat, en uiteindelijk Thelonius in het Lijnbaantheater in de jaren tachtig. De clubs van Willem Wodka zijn berucht om hun radicaal moderne jazzkarakter en vrij gebruik van drugs, waaronder heroïne. Als Wodka teveel aanvaringen heeft gehad met de belastingdienst of justitie, begint hij gewoon elders een nieuwe zaak. Maar de drugs eisen hun tol onder de muzikanten rond deze scene en schrikken de mainstream bezoekers af. In 1993 moet ook Thelonius sluiten.I

Punk

Net als de jazz, verhardt de alternatieve popcultuur gedurende de jaren zeventig. Het progressieve jongerencentrum Eksit in de Eendrachtsstraat heeft aanvankelijk nog hippieachtige trekken, maar het blowen maakt er plaats voor heroïne en de bands die er spelen worden ruiger. Eind jaren zeventig eist het jonge punkcollectief de Rondos dat er in de programmering van Exit – zoals de zaak inmiddels heet – meer ruimte komt voor de punkstroming die vooral in Engeland zoveel furore maakt. 

Even later wordt ook Kasee aan de Gordelweg een punkcentrum. Backstreet Recordshop van Peter Graute wordt dé platenzaak voor de punkliefhebber. De rauwe do-it-yourself mentaliteit van punk blijkt veel beter bij de Rotterdamse mentaliteit te passen dan die van de hippiecultuur. De Rondos ontwikkelen zich snel tot de belangrijkste punkband van Nederland, met een grote lokale aanhang. Hun uitvalsbasis is Huize Schoonderloo in Delfshaven, een leegstaande villa die ze van de gemeeente mogen huren. De Rondos geven een punkstrip uit, maken fanzines en organiseren open podia.

Maar naar goed lokaal gebruik, is na een korte en heftige periode de punkscene alweer opgebrand. De Rondos, bestaande uit kunstacademiestudenten, voelen zich weinig begrepen door de punkkids die vooral willen keten tijdens concerten. Van rechtsradicale skinheads die soms opduiken moeten de Rondos al helemaal niks hebben. In 1980 stoppen ze abrupt. Exit moet in 1982 wegens geldgebrek sluiten. En voor Backstreet Recordshop is het, na aanvaringen met de belastingdienst, een jaar later voorbij.
Toch blijft punk lang nawerken. Voor new wave en postpunk – verfijndere varianten op de oerpunk – komen er de podia De Vlerk, Arena en Hal 4, en een groepje lokale bands die een mengsel van punk en freejazz spelen concentreert zich in de (Jazz)Bunker. Postpunkband Spasmodique met voorman Mark Ritsema bouwt een cultstatus op tot voorbij de landsgrenzen. Eind jaren negentig vindt in Rotterdam zelfs een opleving van punk plaats, met bands als The Apers, en het label Tocado Records van Leen Steen.

Zakelijker

Gedurende de jaren tachtig vindt een professionalisering plaats van de mainstream muziekcultuur. Het nieuwe Ahoy op Zuid, dat in 1970 is geopend, krijgt in 1980 een uitbreiding met twee hallen en wordt een prominent podium voor grote (inter)nationale popconcerten. In Feyenoordstadion De Kuip worden vanaf 1978 grote internationale popacts geprogrammeerd, om te beginnen met Bob Dylan, en later o.a. Madonna, Michael Jackson en Bruce Springsteen.

Rolling Stones in Ahoy 1973

Nadat Arena aan de West-Kruiskade failliet is gegaan, komt ook daar, eind jaren tachtig, een nieuw podium met een zakelijker inslag: Nighttown. Initiatiefnemer Fons Burger wil een streep zetten door het jongerenwerkerssfeertje dat alternatieve poppodia voorheen kenmerkte. Hij kiest voor een groots opgezette, commerciële inslag, met een grote en kleine zaal, uitgaansavonden en filmprogrammering in het naastgelegen Popular. Snel na opening begint de house-rage in Nederland door te dringen. Nighttown speelt erop in met dance-avonden, met Rotterdamse dj’s als Ronald Molendijk, Michel de Hey en Ted Langenbach. Zij trekken een nieuw (dance)publiek aan dat voorheen nauwelijks rockpodia bezocht. Ook komen er in Nighttown reggae- en multi-etnische
(world)avonden; en hiphopevenementen, veelal geprogrammeerd door Mike Redman, met zowel lokaal talent als internationale rapacts.

Hip-Hop

Hiphop wordt in de jaren negentig steeds belangrijker in Rotterdam. Het is, na punk, de eerste nieuwe muziekstroming die echt aanslaat in de stad en dat is niet toevallig. Hiphop heeft net als punk een do-it-yourself karakter en laat zich niet erg hinderen door muzikale conventies en tradities, wat past bij de stad. Ditmaal zijn het veel gekleurde jongeren in de buitenwijken die thuis met hun pc’s, draaitafels en mengpanelen (de opkomende digitale revolutie opent veel nieuwe muzikale mogelijkheden) beats en raps maken en mixtapes opnemen en uitwisselen. Ze treden op in Nighttown, en in Space te Kralingen. Sommige rapacts, zoals E-Life, Def Rhymz en Postmen, maken albums en krijgen landelijke bekendheid. Maar veel Rotterdamse hiphop heeft, in vergelijking met de scene in steden als Amsterdam en Utrecht, een compromisloos karakter. Men wantrouwt commercie en veel energie gaat op in onderlinge battles, figuurlijk en letterlijk. Een en ander is mooi gedocumenteerd in de documentaire Walkmen (2001) over hiphop en graffiti in Rotterdam, van Victor Vroegindeweij en Mike Redman.

House en gabber

ed Langenbach organiseert ondertussen zelfstandig succesvolle, extravagante house-feesten onder de naam MTC. Eerst in Nighttown, daarna zelfstandig in de Cruise Terminal op de Kop van Zuid. Vormgevers, decorontwerpers en modellen maken deel uit van de MTC-beweging. Lingerie- ontwerpster Marlies Dekkers en fotografe Inez van Lamsweerde werken mee aan themafeesten. Aanvankelijk trekt MTC vooral supertrendies, homo’s en dandy’s, als een lokale variant op Andy Warhol’s Factory in New York, maar uiteindelijk gaat het grote publiek overstag. In 2000 opent Langenbach zijn club Now&Wow in oude loodsen aan de St. Jobshaven, en biedt een unieke Rotterdamse mix van arbeiderisme en decadentie.
Paul Elstak is net als Langenbach dj op de house-avonden in Nighttown, en enkele jaren daarvoor al in discotheek Blue-Tiek-In, voordat hij zijn eigen weg inslaat. Het in het Euromast-park gelegen Parkzicht haakt ook in op de house-rage. Onder aanvoering van dj Paul Elstak en dj Rob (Rob Janssen) ontwikkelt zich hier begin jaren negentig een keiharde, snelle en minimalistische variant op house: gabber.

Kids uit de suburbs, van Zevenkamp tot Spijkenisse, komen in Parkzicht met hun vaak kale koppen en in trainingspakken nachtenlang ‘hakken’, zoals de gabber-dans met schopachtige bewegingen heet. Ecstasy wordt volop gebruikt, en een restrictief deurbeleid hanteert Parkzicht niet. Gabbers zijn trots op hun volkse Rotterdamse roots en op gabberplaten wordt uitgehaald naar het elitaire Amsterdam. Zoals op de 12inch ‘Amsterdam waar lech dat dan?’ (1992) van de Euromasters, uitgebracht op Elstaks platenlabel Rotterdam Records. Gabber zit enkele jaren in de lift, er zijn grote gabberfeesten in de Energiehal en Ahoy, en in de Utrechtse Jaarbeurshallen. Er zijn enkele landelijke hits, zoals ‘Poing’ van Rotterdam Termination Source.

Geweldsincidenten

Maar net als eerder met punk en hiphop gebeurde, gaat ook de gabber in Rotterdam goeddeels aan zijn eigen extremiteit ten onder. Ecstasy maakt bij veel gabbers plaats voor speed. Meisjes, toch al niet oververtegenwoordigd in het oorspronkelijke gabberpubliek, haken af door de opgefokte testosteron-sfeer op de feesten. Elstak, die zich is gaan richten op de en melodieuzere happy hardcore, wordt door de gabbers als verrader bestempeld. Radicale skinheads komen op gabber af, net als bij punk is gebeurd. Voetbalhooligans verschijnen ten tonele. Zelfs extreem-rechtse politici zoeken aansluiting bij de gabbercultuur omdat men denkt er stemmen te kunnen winnen. Er zijn geweldsincidenten, een feest in de Energiehal wordt afgelast, Parkzicht voert alsnog een deurbeleid in. Maar na twee schietpartijen gelast burgemeester Peper de sluiting van Parkzicht in 1996.
Ook bij Now&Wow ebt de opwinding van de begintijd weg en wordt de sfeer grimmiger. Na klachten van buurtbewoners wegens overlast, verhuist Langenbach naar de Maassilo op Zuid. Maar na een schietincident in 2003 moet ook Now&Wow sluiten. Langenbach verbindt zich enkele jaren later aan een nieuw poppodium, WATT, dat de opvolger van Nighttown moet worden. WATT afficieert zich als een duurzaam podium met een energie-opwekkende dansvloer. Maar WATT sluit alweer in 2010, nadat de gemeente haar financiële steun intrekt.
Dit alles betekent niet dat dance, gabber en hiphop verdwijnen uit de stad. Langenbach organiseert tegenwoordig gewoon weer halfjaarlijks een Now&Wow Fest in de Maassilo. Hiphopconcerten worden gehouden in de Maassilo, BIRD en Perron, en hiphop/urbanevenementen als Rotterdam Beats en de uitreiking van de State Awards vinden in de stad plaats. Gabberfeesten worden met enige regelmaat georganiseerd in Eclipse (Alexanderpolder) en de Maassilo. Het extreme en grootschalige is er na de hoogtijdagen van de jaren negentig vanaf, maar op kleinere schaal gaat men door.

Op eigen kracht

De tijdgeest is er ook niet meer naar dat één bepaalde muziekstroming in het bijzonder floreert. Wat dat betreft is het in Rotterdam niet anders dan elders. Als muziekstad heeft Rotterdam zich sinds eind jaren negentig in de eerste plaats met evenementen en festivals doen gelden. Voor nieuwe popmuziek is Metropolis – al vanaf 1988 – een groot jaarlijks festival in het Zuiderpark. Voor de danceliefhebbers is er van 1997 t/m 2009 de eendaagse Dance Parade, waarbij een stoet praalwagens met dj’s en dansers door de binnenstad rijdt en eindigt met een slotfeest. Het Gergievfestival is sinds 1996 een groot klassiekemuziekfestival met concerten in de Doelen en andere locaties in de stad, jaarlijks gedurende een tot anderhalve week. Sinds 2006 wordt in juli het North Sea Jazz Festival (teruggekomen vanuit Den Haag) in Ahoy gehouden, met een uitgebreid randprogramma door de hele stad heen. De festivalhausse is mede te danken aan de organisatie Rotterdam Festivals die er in de jaren negentig is gekomen. En in 2001 is, niet toevallig na de opgebouwde faam als evenementenstad, Rotterdam Culturele Hoofdstad van het jaar. Kunstenfestival Motel Mozaïque, met muziek, theater en beeldende kunst, is een uitvloeisel van RCH 2001, en in 2004 is Motel Mozaïque tot ‘Beste Festival’ uitgeroepen door de Vereniging Nederlandse Poppodia & Festivals.
Op de openingsavond van Rotterdam Culturele Hoofdstad zingt Frédérique Spigt met Rotte’s Mannenkoor haar lied ‘Rotterdam’, dat het beeld schetst van een gehavende stad waar zich sinds de oorlog nooit echt een nieuw centrum heeft ontwikkeld, maar waar de inwoners desondanks van houden. Het gegeven dat veel muzikale initiatieven er zonder veel sturing van bovenaf toch komen, heeft de stad wellicht ook door de afgelopen economische crisisjaren heengeholpen. Enerzijds zijn er nog altijd slechts enkele grote muziekzalen. Maar naast de Doelen en Ahoy zijn er veel kleine(re) of gedeeltelijke muziekpodia, zoals Rotown, LantarenVenster, Worm, Roodkapje, BAR en BIRD. Recentelijk succesvolle bands en muzikanten als The Kik (pop), Afrojack (dance), Elle Bandita en Rats on Rafts (rock), Winne (hiphop), en Eric Vloeimans en Benjamin Herman (jazz) hebben vooral op eigen kracht en zonder een vaste thuisbasis binnen de stad, toch hun weg gevonden. Muzikanten zijn er ook niet anders gewend.

Auteur artikel
Erik Brus (1964) schreef met Fred de Vries het boek ‘Gehavende stad, muziek en literatuur in Rotterdam
van 1960 tot nu’ (Lebowski, 2012). Hij realiseerde i.s.m. Laurens Abbink Spaink de novelization van
de film Zwartboek (Paul Verhoeven, 2006). In 2015 verscheen het mede door hem samengestelde boek
‘Ken zó in Boijmans’ – Frans Vogel 80. In 2016 was hij samensteller van ‘Sleutelaar worden: herinneringen
van en aan een zwijgende dichter’ (Studio Kers), en in 2017 van ‘Vaan nu – C. B. Vaandrager met
andere ogen’ (Studio Kers).

Essay “Steen, staal en glans – muziek in Rotterdam 1940-2015” over 75 jaar Rotterdamse muziekgeschiedenis door Erik Brus in opdracht van stichting DIG IT UP naar aanleiding van de viering 75 jaar wederopbouw van Rotterdam in 2015/2016.
DIG IT UP maakt stedelijk cultureel erfgoed zichtbaar. Doet dat met oog voor inhoud en visuele kwaliteit. Werkt als co-curator: zo veel mogelijk in samenwerking met opdrachtgevers en in interactie met het publiek. Werkt met multimedia online databases, social media, tentoonstellingen in de publieke ruimte, documentaires, essays en lezingen. Kijkt vanuit het heden naar het verleden en vanuit het verleden naar de toekomst. DIG IT UP is een stichting zonder winstoogmerk. Werkt in opdracht van kunstinstellingen en voert in eigen beheer met hulp van fondsen projecten uit zoals Het Geluid van Rotterdam en ROTTOP een informatiebank over Rotterdamse stadscultuur.
Rotterdam, 4 januari 2015